• Koen Suyk

Bijna elf procent corporatiehuurders zit financieel klem

SOEST Bijna elf procent (10,9 procent om precies te zijn) van de corporatiehuurders in Soest heeft een te laag inkomen om zijn of haar woonlasten en andere noodzakelijke uitgaven te betalen. Deze huishoudens lopen daardoor het risico dat ze op een gegeven moment de maandelijkse huur niet meer kunnen betalen. Het percentage ligt overigens iets lager dan in 2014, toen was het 11,5 procent. Dat blijkt uit de recent gepubliceerde Lokale Monitor Wonen 2019, waarin organisaties als de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en corporatievereniging Aedes gegevens over de huursector bijhouden. 

Bekijk in onderstaande interactieve tool hoe het cijfer in Soest zich ontwikkelde van 2014 tot en met 2017 en hoe zich dat verhoudt tot andere gemeenten.

Huurders in een corporatiewoning zijn over het algemeen bijna een derde van hun netto inkomen aan woonlasten kwijt. Naast de kale maandhuur valt hier ook de energie- en waterrekening onder, net als de gemeentelijke heffingen. Elf procent houdt na betaling van deze lasten te weinig budget over voor voedsel, kleding en 'sociale participatiekosten': naar een sportclub kunnen, een keertje bezoek kunnen ontvangen of een (korte) jaarlijkse vakantie. Zij worden door de onderzoekers  aangeduid als mensen met een betaalrisico: zij lopen het risico dat ze op een gegeven moment de maandelijkse huur niet meer kunnen betalen. 

Onderstaande figuur laat zien dat Soest de landelijke tendens precies volgt, maar dat het aantal risicovolle huishoudens wel structureel lager ligt.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

BETAALRISICO Het Nibud becijfert hoeveel een huishouden minimaal nodig heeft om rond te komen. Dit is een optelsom van de meest noodzakelijke uitgavenposten als wonen, voedsel, kleding, verzekeringen en persoonlijke verzorging. Daarbij hoort ook sociale participatie: naar een sportclub kunnen, een keertje bezoek kunnen ontvangen of een (korte) jaarlijkse vakantie. Met behulp van deze budgetcijfers is er in het onderzoek per huishouden bepaald of er sprake is van een betaalrisico. Dat is slechts een indicatie: huishoudens met een betaalrisico hoeven feitelijk geen financiële problemen te hebben.

De cijfers gaan over de periode van 2014 tot en met 2017 en zijn geclusterd naar de gemeente-indeling van 2019.