Waldeck Pyrmontlaan

Het gebeurt niet vaak, maar die middag dus wel. Iedereen is er, zelfs Johan, die altijd wel op tijd thuis moet zijn, en dan weten we een, twee, drie niet wat we moeten doen. Heel raar en eigenlijk niets voor onze club: De Zwarte Hand. Altijd wordt er wel iets bedacht: voetballen of knikkeren, uiteraard alleen wanneer het tijd is om te knikkeren. Maar die middag weten we dus helemaal niets.

Het is zo erg, dat er al een paar jongens aanstalten maken om naar huis te gaan. Dat vinden de andere jongens die blijven nogal flauw, maar daar hebben de jongens die willen vertrekken niets mee te schaften, vinden ze.

Dan heeft Kareltje een geweldig idee, vindt hij zelf. We gaan een beetje rotzooit rappen, roept hij of 'ie een of andere veldtocht tegen België aankondigt. Wat bedoelt Kareltje precies met rotzooi trappen willen een paar jongens precies weten. O, Kareltje heeft voorbeelden genoeg. Wat te denken van een krant met een drol erin op de stoep in brand steken of ergens de kippen of konijnen los te laten of zomaar ongevraagd een fiets meenemen of de vuilnisemmers omtrappen of zo maar ergens anders neer te zetten.

Daar sta je dan. Iedereen is al weg om rotzooi te trappen, maar ik? Moet je horen: ik ben heus geen heilig boontje, maar ik zie mezelf nog geen wildvreemde kippen loslaten of zoiets. Ik weet toevallig heel goed hoe moeilijk het is om kippen te vangen.

Onderweg naar huis zie ik een krant nogal slordig uit een keurig gepoetste brievenbus steken. En ik denk: als ik die krant nou eens gewoon meepik trap ik toch ook een beetje rotzooi. Want van thuis weet ik wat voor een herrie er komt wanneer de krant er niet is.

Dus begin ik eens flink te trekken aan de slordige krant en dan schiet plotseling de voordeur wagenwijd open. Op een haartje na val ik tegen een keurig geklede meneer aan, die met een gulden van papier in zijn hand heel luid en duidelijk 'gelukkig nieuwjaar' roept.

Ja, ja, de meneer heeft me zien aankomen, zegt hij. Voor geen goud wilde mij me missen. Ondertussen frommelt hij met moeite de gulden van papier in mijn hand en zegt ook nog dat dat voor alle goede zorgen is. O ja, dolgraag zou hij me op een paar oliebollen trakteren, alleen de oliebollen zijn nog niet bezorgd door de buurvrouw, ja want de buurvrouw bakt ze altijd voor hem, omdat ze toch aan het bakken is.

Wanneer ik maar eens zeg dat het nog lang geen oud en nieuw is en hem op de datum van de krant wijs, kijkt de meneer me aan of ik hem voor de gek houd en sluit hij heel langzaam en secuur de voordeur met de keurig gepoetste brievenbus.

Boudewijn Paans.