Stadhouderslaan

Of we nu daar in Frankrijk gaan lunchen? Een moment, zeg ik, of ik heel nodig naar achteren moet, ik wil eerst even bellen. Wim vraagt aan de Franse wijnboer of dat kan. Met een gezicht van 'gekken moet je niet tegenspreken', zegt de Franse wijnboer dat ik best even van de telefoon gebruik mag maken. Ik bel met Dick, eindredacteur bij de Volkskrant. Voor hem schrijf ik stukjes en stukken. Bijvoorbeeld over de Duitse cursus om slechts in tien dagen zwemmen te leren. Of over het verblijf in Het Dorp van Mies Bouwman. Of over de 'achtervolging' van het Nederlands voetbalelftal per cruiseschip. En een jaar of vijf iedere zaterdag een column.

Dick vindt een verhaal over druivenplukken wel leuk. De kranten staan trouwens vol advertenties, waarin druivenplukkers worden gevraagd. Dus schrijf ik een verhaal over druivenplukken en wil dat heel eigenlijk nu doorvertellen, maar wat denk je? Bij nader inzien blijkt dat ik alles van dat plukken in Frankrijk nog maar half weet. Oké, het gebeurt allemaal in de jaren tachtig, maar het is niets voor mij.

Eerst denk je nog, o jeetje, oom Alzheimer is al in aantocht. Kan makkelijk. Oom Alzheimer is best wel een echte allemansvriend hoor. Dat lees je overal. En dan kan je jezelf wel voor je kop slaan. Je hebt mensen die letterlijk alles wat ze hebben gepubliceerd nogal keurig inplakken in kleurige geplastificeerde boeken, die ook na jaren nog naar nieuw ruiken. Doe ik niet. Ik ben er eerlijk gezegd zelf ook eens mee begonnen. Ik heb alleen nog niet veel om in te plakken. Hoofdzakelijk wat gestencilde stukjes uit de schoolkrant, waar ik ook nog ergens mee gesolliciteerd heb.

En dan denk je tenslotte: geen man over boord. Bij de Volkskrant bewaren ze toch alles. En dat klopt. Op een dag sturen ze al, heel aardig, mijn werk op. Alleen mis ik mijn stuk over het druivenplukken. Twee dagen heb ik bijna vierhonderd stukjes doorgekeken. Niets gevonden. Nu weet ik nog niet of er in dat artikel staat dat ik op de camping een pracht woonwagen deel met Wim.

En na een dag keihard werken, en na die lunch waar je alles eet wat ooit heeft gevlogen, en je geacht wordt zogenaamd alles te proeven wat je hebt geplukt, spelen Wim en ik voor we slapen gaan nog Pipo de clown na. Dat gaat heel goed, vinden we zelf. Zo goed – maar dat kan ik ook hebben gedroomd – dat we er best het land mee in kunnen gaan. Maar later wordt Wim ziek. Hij ligt in een ziekenhuis in Nieuwegein. Ik breng hem nog wat wijn. Dat helpt niets. Wim gaat dood.

En op redactie van de Volkskrant stuift een lange man op me af. Is dat niet Philip Frederiks? Ja, dat is Philip Frederiks, de correspondent van de krant in Frankrijk. Hij staat pal voor me en schreeuwt: Frankrijk is van mij, hoor je. Jammer dat Philip wat met consumptie spreekt.

Boudewijn Paans