Stadhouderslaan

Het is zaterdagochtend. Even lijkt het of de wereld vergaat. Het onheil heeft namelijk nooit een vrije dag. Er klinkt een geluid of ik met bed en al door de vloer kan zakken. En o ja, ik ontdek zelfs, als een boer uit een beduimelde streekroman, dat de vrouw ook al in geen velden of wegen is te zien. Je troost je zelf met de gedachte dat je alleen op de wereld komt en, wanneer je geluk hebt, diezelfde wereld ook weer alleen verlaat.

De herrie onder me wordt heviger en komt ook nog dichterbij en dan denk ik, in tegenstaande met het voorgaande, nu is het afgelopen. In werkelijkheid vloek ik daar uiteraard bij, maar dat leest en hoort men liever niet.

Oké, een feit blijft dat ik wil weten wat er beneden allemaal aan de hand is. Ik wil helemaal niet flauw doen maar wie heeft er nu ooit een handtekening onder de koopakte van het onderhavige pand gezet? Inderdaad.

Beneden in de woonkamer is er een bom gevallen. Marc, die net de hand van mijn schoondochter heeft gekregen, is bezig met een paar jongens, in sloopkleding, mijn verlaagde plafond een kopje kleiner te maken.

Ik vraag niet eens: wat moet dat? Ik hoor dat het is afgesproken. Die middag van dat flesje whisky. Je houdt je groot. Je wil de sympathieke schoonvader zijn en blijven. Honderd procent empathisch. En natuurlijk ook invoelend. Je zegt: nou dat schiet lekker op. En ook nog: ja, daar knapt de kamer van op. Ook kijk ik nog even met de ogen van de toekomstige visite. De een zal het hogere plafond te hoog vinden. En de ander heeft altijd in een huis met een hoog plafond willen wonen, wat voor zijn partner nieuw is en weer een ander vindt dat verlaagde plafond, met die latjes, juist zo knus.

En over visite gesproken: ik krijg juist die zaterdag visite. Raar? Helemaal niet, de collega's van de zaak kunnen op geen andere dag. Daarbij willen ze mijn huis in Soest wel eens zien. Eerlijk is eerlijk.

Maar waar moet ik mijn collega's ontvangen? Anna die weer teruggekeerd is van de velden en de wegen herinnert mij aan mijn werkkamer. Onmogelijk, vind ik, met een slopende Marc pal onder je voeten. Anna vindt dat ik met mijn collega's toch op het balkon kan gaan zitten, daar zien de collega's best wel de humor van in. En kijk. Anna heeft weer gelijk. Een collega informeert, uiteraard langs zijn neus weg, of al die koeien van mij zijn en of ik ze ook zelf melk voor ik naar de zaak ga.

Dagen daarna, het plafond is wat hoger, gaat 's avonds de bel. Op de stoep staat Wim Hoogeveen jr. met mijn pak, waarvan ze alleen een knoopje hebben verzet. Wanneer ik mijn aankoop trots toon, zegt Anna: je hebt al zo'n pak, kijk maar in kast.

Boudewijn Paans