Oranjelaan

Wanneer ik ga proeven wat ik zogenaamd heb geplukt, slaakt de Franse wijnboer een zucht of de wereld vergaat. Vervolgens roept hij ook nog eens hartgrondig 'Mon Dieu'. Ik weet de oorzaak. Het komt allemaal door de wijze waarop ik mijn wijn of beter zijn wijn consumeer.

In theorie weet ik wel ongeveer hoe het hoort. Eerst ruiken dan na een slokje, een nipje zeg maar, moet je het edele vocht alle hoeken van je mondholte laten zien, en dan pas mag je doorslikken.

Dat doe ik niet, omdat ik dat ook al niet kan. En daarom kijkt de Franse wijnboer, voor wie ik verdorie druiven pluk, net zo kwaad als de Duitse neef Karl, die ik van moeder op vakantie echt eens moest opzoeken.

In mijn laatste boek schrijf ik er het volgende over: "Karl woonde in Duitsland. In Trier. Hij had een Kiesgrube. En hij was miljonair."

In Trier keek neef Karl helemaal niet of hij altijd naar mij had gevraagd, zoals moeder had gezegd. Ben je mal. Mijn neef keek hoofdzakelijk naar Anna.

Weet je wat, zei mijn neef toen? Ik wist het weer eens niet. Anna moest beslist eens meerijden in zijn nieuwe cabri. Dat zou namelijk ganz toll zijn. We zouden dan eerst naar zijn Kiesgrube rijden en daarna wist hij een leuke wijnkelder waar we ook nog iets konden eten.
O ja en ik zou de lichtblauwe Mercedes wel volgen met die Ente, ten minste wanneer ik hem kon bij houden. Om er bij te horen rolde ik het dakje van de 2CV ook maar open. Zo had ik ook bijna een cabri.

De Kiesgrube vonden we uiteraard prachtig. En er lag trouwens heel veel Kies in de Grube. Karl was kind aan huis in de wijnkelder. Wel drie keer stuurde hij de ober met de witte wijn terug. Moeder zou dat trouwens doodzonde hebben gevonden. Karl niet. En de wijze waarop ik eindelijk de juiste witte wijn dronk leek natuurlijk nergens op. Zo kon een mens toch niet van moezelwijn genieten. Dat wist een kind. Hij snauwde erg onaangenaam. Zeker voor een neef.

Hij deed mij wel even voor hoe het volgens de regels van de kunst moest. Eerst was er werk voor de neus. Karl had een rodere neus. Daar was die van vader niets bij. Karl deed bij het ruiken van de wijn zijn ogen dicht. Vervolgens wiegde hij de wijn in het glas. Een mooi gezicht. En dan diende de wijn te worden genipt. Heel voorzichtig. Ganz, ganz nett, zei de neef die het zo ver had geschopt. Daarna ging de wijn in de mond nog een rondje walsen. Het was net of hij zijn mond spoelde na het tandenpoetsen.
Anna leerde snel, vond Karl. Hij schonk haar nog wat bij. En ik? Ach, na mijn mishandeling van de wijn keek hij me liever niet meer aan. Ik deed niet meer mee.

Wordt vervolgd.

Boudewijn Paans