Oranjelaan

Ik weet het niet zeker, maar ik denk het wel. Ik ben er zelfs bijna van overtuigd dat ze daar boven, daar hoog in de hemel, op zaterdagmiddag, dik tevreden zijn met dat overijverige gedoe bij ons in de laan. Uiteraard is men in heel het dorp, en vast in gans het land, bezig om zich mooi voor de zondag te maken, maar dat laatste weet ik natuurlijk weer niet helemaal zeker, omdat ik nog lang niet boven in hemel zit om alles haarscherp op zo'n zaterdagmiddag te kunnen zien.

Maar ik kom wel in de hemel. Juffrouw Van Arkel van de school met de Bijbel heeft dat zelf gezegd. Alleen moet ik altijd wel goed bidden, mijn versjes leren en op tijd naar de wc gaan, vindt juffrouw Van Arkel. En als ik geluk heb krijg ik daar in de hemel ook nog vleugels.

Maar snel terug naar dat gedoe in de laan op zaterdagmiddag. Ik begin uiteraard thuis. Vader gaat de oprit harken. Wanneer hij heeft gezien wat hij allemaal moet harken trekt hij zijn jasje uit en steekt een sigaret op.

Moeder die net nog een tweede emmer water over de geboende stoep heeft gegooid roept nog dat roken niet gezond is. Vader begint dan als een machine te harken, wat hij volgens moeder niet helemaal goed doet. Moet je zien, wijst moeder, daar ligt nog een hoopje grind wat er niet hoort te liggen. Vader glimlacht en harkt verder.
Bij het echtpaar van een paar huizen wordt verderop nogal voorzichtig een glanzende auto uit de garage geduwd. Het gaat maar net, maar het gaat. Dan wordt de auto die in het geheel niet vuil is opnieuw gewassen.

Heel voorzichtig met een zachte borstel en nogal veel sop. Even verderop worden hard de matten van de auto geklopt, net of ze nogal stout zijn geweest. Wanneer het werk is gedaan wordt de nog schonere auto weer voorzichtig de garage in geduwd. En wederom gaat het maar net.

Dan de meneer, wat verder op de laan, die in zijn goeie goed aanstalten maakt om het houtwerk van zijn huis eens lekker onder handen te nemen. Op de zaak heeft hij er vast al over opgeschept.

Net wanneer de meneer wil beginnen met het houtwerk verschijnt in de huiskamer zijn vrouw voor het raam. Ze houdt een stofzuigerslang in haar hand en heeft de krulspelden nog in. Ze gebaart haar man – alsof hij doofstom is – dat hij zich onmiddellijk moet omkleden, waarschijnlijk omdat anders zijn goeie goed vuil wordt. De meneer trekt zijn smalle schouders op en klimt op een keukentrap, die af en toe wat wiebelt.

Dan staat de vrouw op het grasveldje met een stofjas over haar arm. Nadat ze heeft gesmeekt en gestampvoet, gaat ze met een boos gezicht weer naar binnen en sluit ze de overgordijnen van het voorkamerraam.

Boudewijn Paans.