Oranjelaan

Vader heeft mij dan wel zijn glanzende Renault uitgeleend om naar mijn nieuwe baan te Alphen aan den Rijn te reizen, maar hij wil zijn auto wel ieder weekend zien. Om hem dan vervolgens van haver tot gort te controleren, waarna hij steevast meldt dat het echt de laatste keer is dat ik hem mag lenen. Vader is niet gek, zegt hij zelf.

Dan wil ik Anneke, die opeens Anna heet, met vader en moeder in Soest laten kennismaken. Als verrassing. Natuurlijk, want moeder heeft altijd wat te zeuren over meegebrachte meisjes van mijn broers. Tel maar even: het ene meisje is veel te klein, het ene weer te groot, de andere heeft te grote borsten en dan hebben we nog dat miezertje, nee, het miezertje mag in geen geval over het hoofd worden gezien.

Alleen Anna kan nooit op zondag. Anna gaat zondags altijd naar de kerk. Hoewel, de laatste tijd heeft ze nogal verzuimd om te gaan. En het is niet mijn schuld. Het komt doordat Anna zondags een zielige mevrouw op de pot zet. Maar dat is geen excuus. De gereformeerde kerk in Alphen aan den Rijn blijft boos.

Daarom gaan we op een dinsdagavond naar Soest. Anna heeft d'r haar in twee staartjes gedaan. Voor de rest verloopt de avond volgens het boekje. Inderdaad, met teksten als: nee, dank u pap, ik moet nog rijden. En ook: ja, helaas we moeten gaan, echt waar, morgen is het weer vroeg dag.

Dan roept moeder me naar de keuken. Moeder doet dat nooit. In de keuken informeer ik nog of er brand is. Onzin, ik moet iets aan die korte rok van Anna doen. Ik ben toch een man. Moeder in de bocht. Toen heb ik maar gezegd dat de korte rok hoog mode is in Alphen aan den Rijn.

Intussen blijft Anna's kerk boos. Er wordt zelfs van de kansel gedreigd. Iets in de geest van: als je niet komt word je uitgestoten. De kerken lopen nog niet vanzelf leeg. Anna krijgt ook nog huisbezoek. Als ik me gedraag, mag ik ook komen.

Het is op Anna's zolder. Dit keer is het wasgoed van de hospita van de lijntjes gehaald. Een BH is vergeten. Arme BH. Ik tel wel drie ouderlingen. Ze hebben alle drie hun zondagse pak aangetrokken. Ze kijken of morgen vast en zeker heel de wereld vergaat.

Dan gaan we bidden. Ik bid mee, maar ik houd m'n ogen open. Je weet maar nooit op zo'n zolder. Dan zijn we toe aan Anna's zondige verzuim en aan de hamvraag: kan zij niet op haar verkeerde schreden terugkeren?

De ouderlingen kijken als smachtende honden voor de deur van de slager. Jazeker, de ouderlingen kennen Anna's excuus van die ene zielige mevrouw, die ook zondags geholpen moet worden. Maar dat telt niet. De zielige mevrouw is geen lid van de gereformeerde kerk art 31.

(Wordt vervolgd)

Boudewijn Paans