Oranjelaan

Vader gaat staan en praat of hij een menigte toespreekt. Hij zegt: jij bent woensdag stipt om veertien uur thuis, dan heb je je zwemspullen ingepakt en dan komt een auto van het paleis je halen, die brengt je naar het zwembad in Hilversum, waar je van vijftien uur tot vijftien uur dertig zwemles krijgt van meneer Jan Stender zelf. Moeder kijkt met een verliefde blik op naar vader. Ter zake.

Vader is het gezeur over mijn gezwem zat, zeg maar spuugzat. Hij neemt dus Jan Stender in de arm voor mijn zwemles. Stender is een nogal beroemde zwemcoach, die vele dames aan olympische medailles heeft geholpen.

In de auto van het paleis naar het zwembad ruikt het erg naar prinsesjes. En de chauffeur kijkt in de achteruitkijkspiegel naar me of ik met een Zwitsers zakmes de stoelbekleding bewerk. Dat is niet zo. Ik heb niet eens zo'n mes. Ik zou het best willen hebben, maar thuis vinden ze dat te gevaarlijk. Heel kinderachtig.

Dan stopt de auto bij het zwembad. Verwacht ik veel bekijks? Een beetje. Welnu, vergeet het maar. In Hilversum vinden ze het kennelijk heel normaal dat een auto van het paleis mij naar het zwembad brengt. Ook goed.

De beroemde Jan Stender zit op het muurtje van het pierenbadje zogenaamd op me te wachten. Hij is gekleed in een nogal kort broekje. Voor de rest is Jan Stender bloot en heel behaard. Eigenlijk lijkt mijn zwemleraar erg op een aap. Een harige aap. Maar wie ben ik om op het uiterlijk af te gaan?
En dan is er nog iets. Tussen de zwemleraar en mij is er geen klik. Een klik is toch het fundament voor het succes. Dus ik denk nog: die klik komt wel wanneer ik doorbreek. Die klik loopt niet weg. Nou, die klik komt helemaal niet, want ik breek in het geheel niet door.

In het Hilversumse pierenbadje moet ik maar doen waar ik zin in heb. Ik ben net die op drift geraakte potvis, laatst bij Den Helder. O ja, ik moet wel mijn hoofd boven water houden, roept Jan Stender herhaaldelijk. En hij roept ook dat ik niet te veel van het water moet drinken, want anders is straks het bad leeg. Waarschijnlijk is dat zuivere Hilversumse humor.

Dan sta ik weer buiten. Met natte haren en zonder vervoer. Maar geen paniek. Mijn vervoer staat bij de VARA. Daar werkt mijn broer, die heeft een auto, een DKW, waarvan het dak ook nog helemaal open kan. En met mijn broer rij ik terug naar Soest. Wat? Hoe ik bij de VARA kom? Nou, net als Jan met de pet: lopend. Met mijn lopen is nog niets aan de hand, hoewel? Na drieëntwintig stappen laat ik steeds een paar stinkende winden. Echt, zwembadwinden, kan niet anders. In m'n eentje ben ik net die zwarte stinkende chloortrein, die 's nachts door de polder langs Soest sluipt.

(Wordt vervolgd)

Boudewijn Paans