Molenstraat

Na de opmerking dat mijn zoon nog lang niet zijn rijbewijs heeft en zijn oma dus niet naar Molenschot kan brengen is het een moment doodstil in de woonkamer. Misschien wel iets te stil.

Dan moet moeder zo uitbundig lachen, dat ze bijna onmiddellijk zelf weer naar achteren moet. Alleen voordat ze gaat wil ze toch nog even een andere boodschap kwijt. En de boodschap is dat ik vooral niets over rijden zonder rijbewijs moet zeggen. Ik heb het zo'n beetje uitgevonden, vindt moeder. Dus over rijden zonder rijbewijs moet ik maar mijn mond houden. Heel graag zelfs.

Persoonlijk vind ik dat we nu hoognodig naar Molenschot moeten. Echt waar, anders gaan ze zich in Molenschot nog ongerust maken, en dat moeten we niet hebben. Nog een geluk dat Molenschot vervolgens in een vloek en een zucht in zicht in.

En nu? Moeder uitladen en dan heel snel naar huis om daar lekker lui naar de zaak op televisie kijken? Vergeet het. In Molenschot, waar het al lijkt op het huis aan de Oranjelaan, de laan waar ik groot ben geworden, is snel vertrekken in het geheel niet aan de orde.

Zo maar weggaan? Hoe kom ik er trouwens bij. En dat we elkaar heel de dag al hebben gezien heeft er helemaal niets mee te maken. Er wordt me nog eens ingepeperd dat ik maar één moeder heb. Daar is niet veel tegen in te brengen, dus breng ik er niets tegen in. En weer blijkt dat moeders wil wet blijft.

Nou dan begin ik nog maar eens haar nieuwe interieur te prijzen. Tjonge, tjonge wat heeft moeder toch geboft in Molenschot. Dat heeft Rudi, haar buurman toch voor elkaar gekregen. En ik zeg ook nog dat het ene schilderijtje, wat vroeger maar wat verloren in de gang hing, hier toch wel erg tot zijn recht komt. Moeder kijkt me dan aan alsof ik plotseling niet zo goed ben geworden. Tja, wat sta ik nu kinderachtig te kijken naar dat schilderijtje. Ik lijk wel een schaap. Een kinderachtig schaap.

Oké, oké, ik ga wel op mijn vaste plekje op de oude groene bank in het nieuwe appartement zitten. En ik knoop een paar dingen goed in mijn oren. Ik moet rustig blijven, heel rustig, en daarbij heb ik geen haast. Haast hoort er trouwens helemaal niet bij wanneer je bij je moeder bent. En omdat je zogenaamd geen haast hebt, komt de vraag aan de orde of je nog iets wil hebben. Heel eigenlijk hebben we alles al gehad. Daar is werkelijk niets op aan te merken, dus blief ik niets.

O nee, ik wil ook niets meer drinken. Ik moet namelijk nog rijden. Heel verstandig, vindt moeder, ja heel verstandig, om er onmiddellijk aan toe te voegen dat de drank altijd blijft, en ik op enig moment verdwijn in een graf of een urn. Zie je wel, het begint al gezellig te worden in Molenschot.

(Wordt vervolgd)

Boudewijn Paans