Columns

Editie 22 maart 2017

Column: Rob Bakker

Wijntaal

De grote Soester schrijvers en dichters dragen geen namen als Kregeling – ‘Hoe eng is dat kreng van de Engh?’- of Okshooft – ‘Wie is de Knol?’ – maar gewone namen als Mets, Van der Linden, Brouwer, Rademaker of Gommers. Schrijvers van zinnen als: ‘Ze heeft karakter, smaakt naar paardenmest en kattenpis en ze heeft body.’
Denkt u al aan een thriller als Vijftig Tinten Rood?
Neem een zin als: ‘Ze is zwoelkruidig en sensueel, smaak- en reukzin worden overdonderend gestreeld.’
Als ik dat hoor, sta ik niet in de massagesalon aan de Lange Brinkweg, maar gewoon in een van de vele wijnwinkels die Soest rijk is. Nette zaken overigens, maar zonder een twaalfdelige cursus Wijntaal durf je daar niets te zeggen. Een wijntje kopen en drinken kan iedereen, ga dan maar naar Albert Heijn.
Wijn savoureren is iets anders, het is een vorm van hogere beschaving met een eigen taal. De taal spreken is voorbehouden aan het volksdeel dat zich vinoloog noemt. Daar kan een gewone Soestoloog naar streven, maar nooit wordt het niveau van de ware wijntaalkundige gehaald. Wat dacht u van: ‘De handgeplukte druif verraadt haar karakter in een intens palet van smaken, geuren en impressies.’
Dan praten we over een fles waar een hypotheek op is te krijgen bij een kistje van zes. Maar beslis niet te snel. Probeer eens een strikvraag om te laten zien dat u niet helemaal van de druivenpot gerukt bent. Vraag nonchalant alsof u er dagelijks een tegenkomt: ‘Hoe staat het met de tannines?’
U hebt geen idee wat tannines zijn, waar ze groeien of hoe oud ze worden, maar de vraag stellen is voldoende.
De plaatselijke wijnprozaist begrijpt dat de conversatie naar een hoger peil is gebracht en dat hij in de gevarenzone kan komen. Misschien biedt hij een extra stempeltje aan op uw klantenkaart, maar daar reageert u niet op. Pas als hij uit het magazijn een fles pakt en bekent dat dit gewoon een lekker wijntje is, kunt u tot aanschaf overgaan.
(Tannines zijn complexe molecules en het is een verzamelnaam voor chemische verbindingen die in zowel witte als in rode wijn voorkomen. – Maar dit blijft onder ons).

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Van Weedestraat

Deze maand is het tweeënveertig jaar geleden dat mijn broer Heinz zichzelf laat doodrijden voor de winkel van slagerij Van As. Met Werner, mijn andere broer, zie ik het gebeuren. Een lange tijd mijd ik de locatie. Rij ik een straatje om. En wanneer ik de plek toch passeer doe ik – levensgevaarlijk – mijn ogen dicht. Struisvogelgedrag. Alleen, de herinnering blijft koppig en trotseert met de minste moeite jaar en dag.
Heinz en ik zitten op de school met de Bijbel. Kijk maar op de zwart-witte schoolfoto, waarop je bijkans de school met de lange gang en die stinkende toiletten kunt ruiken. Wat zijn Heinz en ik op die foto toch brave kinderen, maar niet heus.
Wij spijbelen samen namelijk heel wat af. Vooral op de maandagochtend, als het versje wordt overhoord, zijn we absent. Juist die ochtend moet ik nodig naar een dokter en Heinz moet mee. Kan niet anders. Al gaat meester Kenemans op zijn kop staan.
Luister, moeder moet op maandagochtend altijd de was doen. Op vader wacht de koningin. En zelf kan ik niet fietsen. Een en een is twee, heb ik nog geleerd bij juffrouw Van Arkel. Vaak, of eigenlijk altijd, gaat het op die maandagochtenden rechtstreeks richting de Eem, waar Zwarte Willem woont.
Heinz en ik huren bij hem met het zendingsgeld een oude roeiboot. Vinden de kindertjes in Afrika vast niet zo erg. Daarbij is Willem aan de Eem zelf ook zwart.
O ja, en om straks toch in de hemel te komen proberen we onder het roeien een psalm te zingen. Geen idee of God in die hemel ernaar luistert, maar de koeien op de kant weten niet wat ze horen.
Dan is het uit met de spijbelpret. Ik wil ook leren fietsen. Prachtig vindt vader het initiatief. Hij weet nog wel een z.g.a.n. driewieler. Eentje die altijd binnen heeft gestaan. Zo’n fiets vind ik echt niets. Misschien dan een met zijwieltjes? Nee, ik wil een gewone fiets.
En Heinz gaat mij leren fietsen. Kijk hem later eens achter zijn
eigen fiets aanrennen. Heinz heeft wel iets van een windhond. Het fietsen gaat best goed, vind ik. Alleen het afstappen is wat slordig. Langs een lantaarnpaal of in een dikke heg.
(Wordt vervolgd)

Editie 15 maart 2017

Column: Rob Bakker

Stemmen tellen

Omdat Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken als voormalig beta-wetenschapper vier jaar geleden niet kon uitrekenen dat op 15 maart 2017 verkiezingen zouden zijn, had hij geen rekening gehouden met het tellen van de stemmen. Nu houdt beta-onderzoek zich bezig met het tellen van dingen, dus dat zou geen probleem mogen zijn, maar om dat in de laatste vier weken te regelen? Voeg daarbij het feit dat de Russen weer eens probeerden ons stemmensysteem te kraken. Dus besloot de hulpeloze minister om alle gemeenten de stemmen met de hand te laten tellen. Zelfs in Soest, waarvan ik me nog herinner dat we daar met handopsteken stemden. Om alle risico’s uit te sluiten en te vermijden dat de lokale wodka-slijter onze nieuwe premier zou worden, moest er een cursus ‘stemmen tellen’ worden gevolgd door alle vrijwilligers, waarvan veel nieuwe, in het handmatig tellen.
Aldus meldde iedereen zich aan loket 1 op het gemeentehuis, maar die verwees door naar loket 2 en die zei dat het toch echt 3 was en daar hoorde men dat het loket eh… eh…hiernaast was. Dat was dus 4, rekenden we snel uit.
Het tellen zou gedaan worden op telraampjes en toevallig had Binnenlandse Zaken de hand weten te leggen op een partij Chinese telraampjes: ouderwetse raampjes met tien kleurige ballen, tien rijen onder elkaar. Ieder
balletje was een stem, dus honderd stemmen per raampje. Met negentigduizend telraampjes konden we in alle gemeenten stemmen tellen. Soest had genoeg aan zo’n driehonderd telraampjes. Verdeeld over zo’n 22 stembureaus is dat 13,04 telraampjes per bureau. Dat werden dus 13 telraampjes en vier kleurige stuiters die een vrijwilliger-opa nog op zolder had liggen. Hier hadden de Russen geen enkele kans meer om ook nog maar iets te hacken. Voor iedere stem die uit de bus werd gehaald werd een balletje over het telraam geschoven en de vier stuiters werden keurig verdeeld over de vier gekozenen. Tevreden wilden we na de stemdag naar de Chinees. Die sloot net zijn deur af op de vroegere avond. ‘Gesloten’, kondigde hij aan. ‘Ik word politicus en we krijgen een Chinese Plemier!’

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Oranjelaan

Ik zie moeder die ene woensdagochtend bij de vensterbank van het voorkamerraam staan. Ze praat en plukt wat aan de planten. Later heeft prinses Irene dat gepraat nog van moeder overgenomen, maar dit terzijde. Moeder staat daar bij de vensterbank in het geheel niet om de tijd te doden. Moeder heeft warempel wel iets beters te doen. De tafel moet afgeruimd worden, waarna de keuken. De kabouters doen het niet, hoor ik haar nu nog zeggen.
Allemaal leuk en aardig, maar wat doet moeder dan in de ochtend bij het voorkamer?
Heel eenvoudig, moeder wacht op vader om hem gedag te zwaaien. Nee, ik doe niet gek. Gedag zwaaien is in mijn jeugd heel gewoon. Ja, dat het tegenwoordig niet zo veel meer voorkomt, komt een beetje door die emancipatie, zoals heel veel.
De moeders van tegenwoordig hebben wel iets anders te doen dan te zwaaien naar de part-ner, die uiteraard fluitend naar het werk gaat. Weet je, moeders gaan zelf ook naar het werk. Want dan tellen ze pas mee, vinden ze. Heerlijk.
Maar die ene woensdagochtend is het dus allemaal normaal. Ha eindelijk komt vader op de fiets met handvaten van hout de oprit af. Vervolgens wendt hij het stuur richting Paleis Soestdijk. Met allure passeert hij het voorkamerraam. Moeder zwaait. Hij glimlacht en trapt dan met alle kracht op de rem. De fiets in kwestie heeft een terugtraprem.
Wat is er aan de hand? Is vader zijn rode boterhammentrommeltje vergeten of de gewichtige stukken van KPS? Kennelijk niet. Want vader blijft midden op straat staan en maakt luid en duidelijk het wereldberoemde V-teken. Ach jee, denkt vader nu ook al dat hij Churchill is? Geen paniek. Moeder begrijpt vader. Het V-teken staat heel simpel voor twee. En twee betekent die ene woensdagochtend dat moeder Drees moet gaan stemmen. Heel normaal.

Editie 8 maart 2017

Column: Rob Bakker

Verkiezingstaal

Nu de weerkaarten een week van tevoren zijn bestudeerd kunnen de deskundigen een haarfijne voorspelling afgeven voor de verkiezingen van volgende week woensdag. Dat kunnen wij niet snappen omdat we het verkiezingsjargon niet geleerd hebben. Die taal is anders dan verkiezingsbargoens, dat is gewoon dieventaal en wordt voornamelijk gesproken door lijsttrekkers. Die heten zo omdat ze trekken aan uw stem zonder hem te willen horen, daarom moeten ze ook trekken in plaats van te luisteren.
Als we het verkiezingsjargon onder de knie hebben, weet de zwevende kiezer precies hoe te stemmen. Bij mooi weer stemt u gewoon links. Niet omdat links mooi weer speelt, dat doen rechts en het midden ook, maar omdat de stemmenkijkers ervan uitgaan dat linkse mensen geen auto hebben en bij regen dus echt niet gaan stemmen. Oude mensen zijn echter braaf en stemmen altijd. Met de bus naar de stembus. Sommige gemeenten die net als Soest wat uitgestrekt zijn, passen hun stembussenbeleid daar op aan. Wel of niet een stembureau bij een bushalte? Soest doet daar niet aan mee natuurlijk, dat wil iedereen de kans geven om te stemmen.
Maar, zo vragen de stemmengluurders zich af: is het dan toeval dat Syntus net hier een aanbesteding heeft gewonnen waardoor het stoppen op de juiste halte net zo voorspelbaar is als het raden van het winnende nummer van het rouletteballetje?
Pas op: voorafgaand aan het mooie weer hebben we nog een storing. Dat kan sneeuw en hagel zijn en dan zijn de winstkansen voor rechts. Waarom? Die moeten naar buiten met de verkiezingen om hun stoepjes schoon te vegen en als ze toch buiten zijn, stemmen ze even. Alleen bij wisselvallig weer stemt iedereen. ’Jij weet dat ik anders niet stem en je weet ook dat ik weet dat jij dat weet en dat ik dus daarom ga stemmen en omdat jij dat weet, ga je toch stemmen.’
Dat noemen de deskundigen: tegen de wind in plassen. Maar dat doen alleen nog maar de mannen. Gelukkig stemmen vrouwen altijd, weer of geen weer. Die willen een keer gehoord worden en stemmen gewoon in vijftig tinten op kleur.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

A’damsestraatweg

Ik heb het me wel eens afgevraagd. Ben ik de enige die in de lach schiet wanneer ’ie voorbij de huisjes tegenover Paleis Soestdijk komt? Een vreemde vraag? Valt reuze mee. In een van die huisjes is namelijk ook een postkantoor gevestigd. Is dat dan zo leuk? Ja, dat is leuk.
Kijk, ik kan mij levendig voorstellen dat Prins Bernhard – hij is nog in leven – eindelijk eens een echte brief naar zijn moeder stuurt.
Ik bedoel: je kan je moeder wel met veel vijven en zessen naar het o zo tolerante Holland halen maar dan ben je er nog niet. Heel eigenlijk begint het dan pas. De toestand.
Want je bent dan wel, na veel gezwoeg en gezweet, Prins der Nederlanden geworden, maar je ziet ook wel eens iets over het hoofd. Bijvoorbeeld je schoonmoeder: Wilhelmina. De enige kerel in het vaderlandse kabinet te Londen, zeggen ze.
Nou, diezelfde Wilhelmina heeft het niet zo op andere mensen. Voor de oorlog jaagt ze op het Loo joden uit haar achtertuin. Opgeruimd staat netjes en na de oorlog?
Na de oorlog moet de moeder van de Prins der Nederlanden, die moffin, van Wilhelmina een beetje uit de buurt van paleis Soestdijk en omstreken blijven.
De moeder van de prins der Nederlanden moet naar Warmelo, naar een rustiek, maar tochtig kasteeltje ergens in Overijsel.
En wat moet je dan als Prins der Nederlanden? Het blijft toch je moeder.
En Facebook of Twitter en Whatsapp moeten nog worden uitgevonden. En om even op en neer naar naar Warmelo te rijden? Het geld kan toch wel op.
Dus zit er niets anders op dan een brief te schrijven, doodgewoon met de hand en hem dan persoonlijk op de post te doen. Fluitje van een cent met een heus postkantoor voor de deur.
En dan komt mijn moment. Het moment waar ik om moet lachen.
De Prins der Nederlanden koopt dan bij meneer Brink van het kantoor een postzegel en likt dan aan het achterste van majesteit.
Maar misschien ben ik vast de enige die daarvan in lach schiet en daarbij: koninklijke post wordt postvrij verstuurd.

Editie 1 maart 2017

Column: Rob Bakker

Wifival

Carnavalsvereniging de Enghe Knollen besloot dit jaar een wifi-en mobieltjes-vrij carnaval te vieren. Wifi leidde de mensen alleen maar af van waar het om gaat: de praalwagens, het feest, polonaise, aandacht voor elkaar.
‘Hebben ze ook meer tijd om een consumptie te bestellen,’ rekende de penningmeester. ‘En kunnen ze ook niet meer van de afschuwelijke foto’s maken,’ zei een bestuurslid dat weken nodig had gehad om uit te leggen dat hij toch echt per ongeluk de borsten van de blondine had beroerd, ook al zag het er op Facebook net iets anders uit.
De intocht zou dit jaar een geweldig feest moeten worden van saamhorigheid. De verwachtingen waren hooggespannen en na afloop vroeg men zich dan ook somber af wat er was misgegaan.
Gapend stonden de mensen langs de weg naar de praalwagens te kijken. ‘Best leuk gedaan, hė Wimpie,’ drong een moeder zonder enige hoop aan. Maar Wimpie kon zichzelf niet met een selfie vereeuwigen met de praalwagen en dat deed toch afbreuk aan negen maanden werk.
Jongens en meisjes konden elkaar niet meer vinden, en keken meer tijd wanhopig over hun schouder dan naar de opgepoetste trekkers. Er werd ‘ALAAF!’ geroepen en diverse mensen vroegen ‘Kan ie dat niet ff appen?’
De muziek was te luid want niemand had meer oortjes in. Mensen die elkaar nog wel konden verstaan begonnen over het druilerige weer, en de kinderen verveelden zich te pletter.
Zo was de stemming na afloop: bedrukt. En dan moest de eigenlijke feestavond in de Knollenschuur nog beginnen! Een ramp leek nabij.
‘Niets te zien op Facebook,’ mopperden de bestuursleden. ‘Daar gaat onze Soest-promotie,’ klaagde een wethouder. Omdat er niets meer te redden was, werd besloten dat wifi en mobieltjes weer mochten.
Die avond werd een knalfeest. Jongens en meisjes vonden elkaar blindelings dankzij de wifi en het ‘Alaaf’ schalde door de zaal want foto’s en filmpjes inspireerden iedereen om alles te geven.
De miljoenen groepselfies bevestigden na afloop het succes en een bestuurslid probeerde bij het ontbijt serieus uit te leggen dat het toch echt niet zijn handen waren die…

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Nieuweweg

Ze zitten nog steeds in de lucht. Die gemaskerde verkleedfeestjes. Anna, mijn vrouw, zit er niet mee. Kunst. Zij hoeft maar een deurkast open te trekken en trekt dan aan wat ik nog nooit heb gezien. Natuurlijk ligt dat aan mij. Ze heeft het kledingstuk minstens al een week. Ja, en dat ik het nooit heb gezien dat is mijn eigen schuld. Ik ben nooit thuis.
Maar nu ik er toch ben moet ik eens zien wat ze aantrekt naar het gemaskerde verkleedfeest in Bussum. Ik zie een mooi zwart jurkje met daarin het begin van een winkelhaak in het achterwerk. Ik wijs Anna op het euvel. Merk nog op dat het best wel zonde is van het mooie jurkje maar zij zegt dat het gat juist de bedoeling is en dat het gat nog groter wordt en de vorm krijgt van een hart. Het is niet waar, antwoord ik nog hoopvol, alleen dat antwoord is onjuist. Het gat wordt een hart en Lucy gaat dat allemaal regelen. Lucy heeft net een nieuwe zaak geopend en kan in het begin best wat werk gebruiken. Daarbij is Lucy nogal gek op aparte opdrachten. Zie ik zelfs wanneer Anna het zwarte blotebillenjurkje voor me showt. Het lijkt wel of haar billen daarin nog mooier zijn.
Hoe ik naar het gemaskerde verkleedfeest moet is nog de vraag. Weer als verkeersslachtoffer? Zeker weer naar Rudie? Mijn huisarts heeft echt wel iets anders te doen dan patiënten voor de grap te verbinden. En daarbij is de kans helemaal niet klein dat Rudie me onmiddellijk laat opnemen,
uiteraard voor de grap natuurlijk. Daarom is het nog een geluk dat ik op de zaak bijna over een levensgroot ezelpak struikel. Het pak is gebruikt bij een tv-productie en ik mag het best lenen voor het feest.
Enfin, op het feest val ik in het geheel niet op. Hoe leuk ik er ook bij lig. In het voorbij gaan word ik af en toe achteloos geaaid want alle aandacht gaat uit naar de blote billen van Anna.
Leuk is anders.

Editie 22 februari 2017

Column: Rob Bakker

Wizard van WOZ

De WOZ-belasting valt straks weer in de bus bij huurders en huiseigenaren. Aan de hand daarvan wordt de OZB-belasting betaald, het inkomen van de gemeente. Nu dacht een aantal gemeente-ambtenaren dat de mensen minder zouden mopperen als ze begrepen hoe de WOZ werd samengesteld. Begrip leidt tot begrip. Zoiets.
Dus werd ik gevraagd om een simpele tekst voor de WOZ te bedenken. De tekst van de oude wet ging zo:
’Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan ten behoeve van de heffing van belastingen, alsmede…’
En dat ging zo een halfuur door. Dat kon simpeler. Zoiets:
‘Alex en Maxima hier. Hoi! Wij laten bepalen hoe duur je huis is. (Vast niet zoveel als dat van ons! – grapje). Doei!’
Belasting blij. De mensen thuis die dit het eerste jaar lazen ook blij. Iedereen begreep dat je je huis zo min mogelijk waard moest laten zijn, dat zeiden Lex en Maxi zelf. Iedereen gaf in beroep slechts de helft van de waarde aan en omdat iedereen dat deed, was er geen referentiekader meer.
De gemeente dreigde failliet te gaan. Of ik dat maar even wilde repareren met een onnavolgbare WOZ-tekst.
Net op tijd voor 2017 had ik die klaar. Een ambtenaar las de nieuwe tekst tevreden en toen hij buiten adem raakte en halverwege zijn tong moest spalken, stak hij een duim op. Zijn collega las verder en zijn onderlip kwam tussen zijn bovengebit en trok daarmee zijn neus onder zijn kin. Hij stak twee duimen op. Bij de derde ambtenaar sprong spontaan de bril in stukken en hij kon nog knikken voordat het montuur in zijn mondhoeken kroop.
Aldus werden met deze tekst de belastingen verdubbeld.Twee maanden later kreeg ik een briefje op mijn vette nota: ‘Met inhouding van loonheffing, WvZ, AOW en daartegen nevenstaande heffingen, krijgen we nog geld van u.’

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Oranjelaan

Ik weet het. Het is de omgekeerde wereld. Meestal ga je na een feestje naar de huisarts. Je hebt misschien iets verkeerds gegeten of gedronken. Jij weet het niet. De arts weet het misschien wel.
Maar wat doe ik? Juist. Ik ga voor een feestje naar de arts. En dat zit zo. Het feestje waar ik naar toe mag is gekostumeerd. Van huis uit is dat geen enkel probleem. In mijn jeugd blijven ze zich thuis aan het verkleden.
Vader is jarenlang – meestal in de buurt van vijf december – Sinterklaas. En met carnaval, in cafe-restaurant Eemland, is hij sprekend
meneer Bokma, Hulstkamp of meneer Ritmeester van de sigaren.
En moet je luisteren: het blijft dan niet bij de kleding van de genoemde heren. Ben je mal. Ook wat de heren Bokma en Hulstkamp zo door de bank genomen onder de kurk hebben wordt in volle dozen het huis binnen gebracht. Onze gang lijkt soms wel een filiaal van slijterij van Van der Linden. Vader wil nog weleens iets van het spul in die verleidelijke dozen voorproeven. Je weet immers nooit. Dat mag dan weer eens niet van moeder. Heel flauw.
Moeder verkleedt zichzelf ook. Vooral met carnaval. Een keer gaat ze als een Delfts blauw molen naar Eemland. Haar gewaad is op zijn Delfts verfraaid door de Amersfoortse kunstschilder. En ze dost zich meerdere malen uit als zo’n bevallige mevrouw van een zeepmerk. O ja en dan hebben we nog mijn oudste broer. Hij gaat een keer als Roxy sigaret naar het verkleedfeest.
Maar met mij is het letterlijk huilen met de pet op wanneer het om verkleden gaat. Wat ik ook aantrek. Zelfs blinden zien in een oogopslag dat ik geen cowboy, indiaan of directeur van het circus ben. Leuk is heel anders.
Dus voor het gekostumeerde feestje ga ik naar Rudie. Hij is mijn huisarts en de buurman van moeder. De vraag aan hem is of hij mij onherkenbaar wil verbinden, als verkeersslachtoffer. Met alle plezier, kijkt Rudie en verbindt mij zodat ik geen pap meer kan zeggen, laat staan consumeren.
Enfin, op het feestje kom ik niet verder dan het stoepje voor de keukendeur. Heel de avond zit ik daar met twee personen, ook dik in het verband. Leuk is heel anders.
(wordt vervolgd)

Editie 15 februari 2017

Column: Rob Bakker

Plakkend

Als student bleef ik in verkiezingstijd altijd plakken en dat leverde goed geld op. De kunst was om als eerste te plakken en als de rest zijn verkiezingsaffiche naast, onder, of half over de plakkaten van mijn klanten had geplakt, sloeg ik nogmaals toe. De truc was om posters de tweede keer half of een randje over een ander heen te plakken. Dat verminkte de boodschap van de ander en het maakte jouw klant groter. Als dat niet lukte dan was een snorretje op een gezicht zo bijgetekend.
Daarom durven ijdele lijsttrekkers niet meer met hun foto op het affiche, en gebruikte een deel slechts een halve foto, links of rechts.
Later ging ik de teksten voor die affiches schrijven en de opdracht was altijd onmogelijk: ‘Vertel ons verhaal, vertel waar we met Nederland naartoe moeten en vertel dat ze op ons moeten stemmen. In drie woorden.’ Dat was best een uitdaging, want de gemiddelde politieke partij heeft tientallen, zo niet honderden pagina’s nodig om uit te leggen waar we zijn, waar zij heen willen en waar we niet heen willen.
En steevast de boodschap: stem. Ja, waarom anders hangen ze daar om de vier jaar? Daarna is er nog maar ruimte voor twee woorden op zo’n affiche en dat lijkt niet veel, maar meer dan tien verkiezingsclichés bestaan er in een jaar niet: Vooruit. Samen (2x PvdA). Mooi.(nog open) Verandering (GL). Onderwijs (D66). Eerlijk (nog open, wordt momenteel in het Russisch vertaald).
Zes woorden, te verdelen over 21 partijen. Dat is het zo’n beetje in 2017. Het woord uit de vorige verkiezing (‘Wereld’) is weg, die wordt niet meer Beter, Eerlijk of Vooruit. Het woord Nederland, tijd weg geweest, leek kleinzielig in de grote wereld, maar het woord komt als claim weer terug (PVV). De wereld wordt weer kleiner. Erger: we worden Normaal (VVD) en dat was vroeger heel erg, we zijn dus bijna verloren, Knokken dus (SP); Aan de Bak (CDA) en als niets meer helpt Plan B (PvdD). We zijn verloren en hebben geen Russen meer nodig voor desinformatie. Als het Goed Nieuws is, weten we: dat is nepnieuws.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Oranjelaan

Vroeger wilde ik niet naar bed. Met geen tien paarden. En aan die holle boodschap dat het morgen weer vroeg dag is heb ik lak.
En ook de waarschuwing, dat ik van juffrouw Arkel voor straf uren in de koude kerk moet zitten, wanneer ik te laat op school kom, gaat bij mij het ene oor in en het andere oor weer uit.
Ik verstop me onder de tafel, op zolder, in de klerenkast of buiten achter de garage, bij de kippen.
Allemaal vergeefse moeite.
Ik word gevonden en dan…dan moet ik meteen naar bed en ook nog mijn beugels aan.
Beugels ja. Niet om het snurken tegen te gaan of zo.
Nee, de grote ijzeren beugels gaan om mijn spastische onderbenen. Die lopen niet echt lekker. En door die beugels worden de onderbenen misschien wel beter. Als ik slaap. Humor van het ziekenfonds.
Je kan met die beugels wel weer lekker beenvechten. Bijvoorbeeld met mijn broer Heinz. Gezellig in het grote tweepersoonsbed. En zo’n beenvechtwedstrijdje win ik ook wel eens. Eigenlijk vindt Heinz dat niet eerlijk. Hij wil op een gegeven moment ook beugels.
En ’s nachts sla ik af en toe het dekbed weleens weg. Om stiekem te kijken. Om te zien of ik al beter ben.
Of ik morgenochtend even hard kan lopen als mijn vriendjes in de straat.
En dat ik ook over de breedste sloten kan springen, zonder heel erg nat te worden. De volgende ochtend weet ik wel beter. Alles heb ik gedroomd.
Zo’n zeventig jaar later word ik weer wakker met een beugel. Nog steeds niet tegen het snurken. Nee, mijn linkerbeen doet het nu helemaal niet meer door een uit de hand gelopen TIA. Vandaar die witte plastic beugel. Voor onder de douche. Inderdaad, het schiet niet op met mijn handicaps.

Editie 25 januari 2017

Column: Rob Bakker

Het ijsvogeltje

Wie als milieugroepering iets wil bereiken, doet dat niet met teksten, niet met slogans, niet met demonstraties, nee, men zwijgt in alle talen. In stilte. Zo stil dat het ijsvogeltje binnen komt hippen, het liefst in de polder of boom die gered moet worden. Het ijsvogeltje is namelijk beschermd en als in Nederland een diertje beschermd is, dan komt geen gemeente daar meer aan. Zo was ik in een ver verleden voorzitter van de club Vrij Polderland, die de polder vrij wilde houden van asfalt, die eeuwige rondweg bijvoorbeeld, of nu dus windmolens. Ons wapen was het ijsvogeltje. Zodra er eentje in de polder was gesignaleerd, werd het beestje gefotografeerd en gepubliceerd en dan was de polder weer gevrijwaard van snode plannen. Omdat zo’n ijsvogeltje nogal schuw is, en eigenlijk helemaal niet van kou houdt, moesten we het vogeltje goed verzorgen: verwarmd kooitje, iedere dag bijvoeren,  enz. Mocht het ijsvogeltje desondanks het loodje leggen, dan werd ie opgezet. Niemand die op foto-afstand het verschil ziet. Een beetje milieufreak heeft een ijsvogeltje in de volière. Als het ijsvogeltje niet beschikbaar was, dan hadden we nog een polderbewoner met een paar beschermde uilen, kerkuil of de ransuil. Tegen ongewenste woningbouw was er nog de beschermde gestreepte rugzandhagedis, of soortgelijke -dis. Als je er een losliet op een bestemde bouwplaats, dan werd er voorlopig niets meer gebouwd. Aannemers weten dat. Als dan zo’n streepbeest wordt gesignaleerd, stampen ze het de grond in tot een meter onder het maaiveld. Daarna kun je bouwen. We hebben eens een wethouder van woningzaken op zondag met laarzen aan door het veld zien lopen en dan weet men: er wordt een nieuw bestemmingsplan gemaakt. Actie! Als de ijsvogeltjes, uilen, of streepsalamanders uitverkocht zijn, rest nog Drente. Zoek wat stukken steen, beetje scherp slijpen en begraaf ze in het te beschermen bouwterrein. Leg er wat houtskool van de barbecue bij en we hebben een neolithische nederzetting met vuistbijlen en vuurplaatsen. Bombardeert ieder bouwplan terug naar het stenen tijdperk.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Prins Bernhardlaan

Ik zie ze nog staan in de tweede klas van de Da Costaschool. De vluchtelingetjes. Twee meisjes en een jongen. En Juffrouw Van Arkel staat naast de kinderen met een trots gezicht of ze hen persoonlijk heeft gered.
Natuurlijk is dat niet zo. De kinderen zijn zelf gekomen. Uit Zeeland, met de trein, een bus of met een vrachtwagen van het leger. In Zeeland hebben immers wind en water de dijken gebroken en het land omgetoverd tot een woeste, gemene zee.
Ik hoor het die avond gebeuren. Om het huis en op de radio. Potten en pannen vliegen buiten als dronken vogels door de lucht. Kan het water ook in Soest komen?. Welnee, de Eem is te lui om over de dijk te kabbelen.
De volgende ochtend is het nieuws uit Zeeland een ramp. Ooggetuige verslagen reppen over honderden slachtoffers, verdronken dorpen en drijvende koeien. Ze worden verwoord door meelevende stemmen. Stemmen die maken dat je er bijna zelf bij bent. Waar je zelf ook natte voeten van krijgt.
Een van die stemmen van de Zeeuwse ramp is ruim twintig jaar later mijn collega, Arie Kleywegt. Arie vertelt graag over de ramp van toen. Over de haat en nijd tussen de omroepen. En zo is er een katholieke, een christelijke, een socialistische en ook nog een algemene ramp. Ergo, de heren verslaggevers vechten elkaar de tent uit om een plaatsje te krijgen in een echte helikopter. Heerlijk.
Intussen moeten de vluchtelingen uit Zeeland in de tweede klas van de Da Costaschool verder met rekenen en taal en vooral met de versjes op maandagochtend. Ook al staat Zeeland onder water.
Op een woensdagmiddag wil zo’n Zeeuws jongetje bij me spelen. Zij het met hangen en wurgen, maar hij komt. Ik heb nieuwe stuiters. Alleen het jongetje huilt voortdurend. Zo erg dat moeder uiteindelijk zegt: hou op met dat gehuil anders overstromen we hier ook nog.

Editie 25 januari 2017

Column: Rob Bakker

Witte olifant

Ter lering en vermaak hebben we de nieuwjaarstoespraken van Soest en omliggende gemeenten vergeleken. En wat blijkt: ‘Hij-Wiens-Naam-Niet-Genoemd-Mag-Worden’ komt niet alleen als Voldemort in tovenaarssprookjes voor, maar ook hier in Soest en ommelanden. Als
iemand of iets niet bij naam wordt genoemd terwijl iedereen weet wie of wat er wordt benoemd, spreekt men van een Witte Olifant. Vergeet Disney, deze witte olifant stond in raadszalen bij de nieuwsjaarsspeeches van bezorgde burgemeesters. Zo klinkt de witte olifant: ‘We hopen dat de burgers bij de verkiezingen in maart hun gezonde verstand gebruiken en niet met hun onderbuik stemmen.’ Daar komt de contour van de olifant: met gezond verstand kun je alle kanten op, maar met het woord onderbuik zie je de witte olifant al aanstormen: slurf boos omhoog. Nog zo’n zin: ‘Er is meer dat ons verbindt, dan ons scheidt.’ De olifant is nu vrijwel zichtbaar in de raadszaal: naast de slurf zien we nu de flapperende oren, de bozige rode oogjes. (’n weetje: witte olifanten hebben rode ogen.) Tenslotte nog een laatste stijlbloem die we geplukt hebben: ‘Laten we niet vanaf de zijlijn roepen, maar onze verantwoording nemen.’ De olifant is nu in volle glorie uitgetekend: slurf, flaporen, oogjes en blinkende slagtanden. De olifant staat niet meer stil, hij dendert door de raadszaal, de gangen op, het dorp in en als u hem tegenkomt, hebt u niet te veel gedronken tenzij hij roze gekleurd is.
Waarom kiezen burgemeesters voor een witte olifant in plaats van het beestje bij zijn naam te noemen? Allereerst omdat een burgervader boven alle partijen wil staan, neutraal en met een luisterend oor voor iedereen. Behalve voor getrompetter dan. Een tweede reden is dat mensen misschien wel houden van die witte olifant, een te gek beest. Wat zou Geert daar van vinden? We vroegen het hem. ‘Ach,’ zei Geert van Dalen uit de Tweede Meibloemstraat 3a in Soest: ‘Aure waaj teleire, en nog nie heire!’ (Olifantenoren en nog niet luisteren – meneer Van Dalen komt oorspronkelijk uit Limburg en is naar Soest verhuisd vanwege het Koningsschieten).

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Van Weedestraat 85

Op een dag breng ik met mijn koffertje keramiek tante Riet weer een bezoekje. Tante Riet vindt hertjes van klei leuk. Met mijn koffertje sta ik in haar keuken. Het ruikt er naar griesmeel en de kraan drupt.
Ik roep dat ik er ben. Geen antwoord. Ik roep nog een keer. Eindelijk hoor ik tante Riet. Ze ligt op bed. Ze is een beetje ziek. Ik roep terug dat ik dan maar ga. Die hertjes in mijn koffertje lopen niet weg.
Dat is niet gezellig, roept tante Riet weer, ik moest beslist boven komen. Even maar. Ik naar boven. De klant is koning. Boven ligt tante Riet er stralend bij. Of de ziekte zich even heeft verstopt. Misschien wel in de klerenkast.
Tante Riet is blij dat ik er ben. Ze is ook zo alleen. En haar man? Haar man speelt voor soldaat, ergens ver weg Niemand kijkt naar haar om.
Ik moet gaan zitten. Nee, niet op de stoel maar gezellig op het bed. En ik heb het vast ook heel erg koud door die vieze regen, vindt tante Riet. Ik heb het niet koud.
Dan slaat tante Riet een blote arm om mijn schouders. Ze ruikt naar oksel. Dan moet mijn jas uit, anders heb ik er buiten niets aan. En daarna ook mijn schoenen. Ze wil geen smeerboel op de lakens.
‘Goh, wat liggen we lekker,’ vindt tante Riet. Ik vertel haar over de oogjes van de nieuwe hertjes. Dan pakt tante Riet mijn hand. Ze stuurt hem langzaam over haar grote blote lichaam. Mijn hand voelt een borst. En daarna nog een.
Dan gaat mijn hand naar haar buik. Tante Riet begint te zuchten. Is haar ziekte teruggekomen?
Ik voel gepunnik aan de rits van mijn broek. Mijn piemel is helemaal stijf geworden. Goh, wat ben je al een grote jongen, zegt tante Riet.
Ik word bang. Ik wil weg, meteen weg. Boodschappen doen verzin ik. Tante Riet zucht weer. Nu zielig. ‘We hebben een geheimpje,’ roept tante Riet nog als ik de kamer uit loop. ‘Daar heeft niemand iets mee nodig.’

Editie 25 januari 2017

Column: Rob Bakker

Mediadorp

Soest is een echt mediadorp met omroepgrootheden als Koos Postema, die als kind ooit in een ketel verjongingsdrank is gevallen, Wilfred Genee, Ria en Bob Bremer, van wie de laatste ooit als eerste regisseur de techniek van herhaling toepaste bij een doelpunt van het Nederlands elftal. Waarna het halve land opnieuw juichte. Verder Ed van Westerloo, voormalig directeur van de NOS en iemand die niet bekend is bij het grote publiek maar wel in Soest, genoeg is genoeg, is Boudewijn Paans. Mijn buurman verderop in de Soester Courant en ook een tijdje op de Stadhouderslaan. Ooit was ik uitgever van het omroepvakblad Broadcast Magazine dat net als het weekblad Time de Man/Vrouw van het Jaar ging kiezen. De eerste keus moest gelijk een eigenzinnige keus zijn, geen geijkte grootheid, liefst een beetje dwars en hij of zij moest in het afgelopen jaar iets baanbrekends hebben verricht. Dus konden we kiezen tussen God en Boudewijn Paans. In het jaar 1991 namelijk waren er twee kleine C-omroepen die hard werkten aan het verkrijgen van de A-status, zoals andere grote omroepen. Dat lukte de twee omroepen: de EO met Gods hulp – voorzitter en dominee Arie van der Veer bad immers voor dat doel – en de VPRO, met hulp en creativiteit van Boudewijn Paans. Die was hoofdredacteur van het VPRO-blad en bedacht een campagne waarin alle ledenwervers in den lande een minuut zendtijd kregen, onder het motto ‘Stop de verloedering’. Taalkundig hoogstandje, want je gaat niet zeggen: ‘We doen het voor ons eige’, zoals Jacobse en Van Es. Binnen het jaar tienduizenden nieuwe leden en ik koos als enig jury- en redactielid (en bezorger) Boudewijn. Zo werd hij de eerste in een illustere rij met onder andere Burny Bos, Joop van den Ende, Fons van Westerloo, Paul Witteman, John de Mol en zus Linda. Deze week mag Boudewijn weer meedineren met deze roemruchte club plus de nieuwe Omroepman/vrouw. Een traditie die helaas pas is ontstaan ná zijn jaar en dat speelt hem nog steeds parten. In de traditie stond wel dat Boudewijn als laatste speechte aan het omroepdiner. Daarna was iedereen sprakeloos.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Nassaulaan

Het landje. Waar is het gebleven? Het landje dat zo maar tussen de huizen ligt. Heel achteloos. Of
iemand het er op een nacht zonder maan heeft neergelegd. En van wie het landje eigenlijk is? Niemand weet het.
Het landje. De ultieme vrijplaats voor alles en nog veel meer.
Waar ga je naartoe?
O, even naar het landje.
Waar spreken we af?
Om halftwee op het landje.
O ja, en dan is er ook vaak een man, de buurman van het landje, die werkelijk denkt dat ’ie de baas is over het landje, dat van niemand is. Zo’n man wil altijd het stukje grond van alle vreemde smetten vrij houden. Dus fikkie steken is levensgevaarlijk. En kuilen, diepe kuilen graven doe je maar bij je moeder in de tuin vindt die zogenaamde baas.
En het moet worden gezegd: de man in kwestie speelt zijn rol met verve. Altijd. En af en toe ook nog met een stevige bezem of een gevaarlijke hark in de hand. Hij raakt trouwens helemaal van het pad af wanneer zijn vrouw komt zien of hij nog wat te zeggen heeft op het landje.
Maar dan is het uit met de pret. En dat begint, o zo onschuldig, met een andere man. Die is op een fiets. Niemand heeft de man ooit gezien. Is hij wel van hier? Is hij verdwaald of zo? Gedachteloos zet de man zijn fiets op de standaard. Hij voelt nog even of het rijwiel stevig staat, waarna de man, als Columbus die Amerika ontdekt, om zich heen kijkt.
Wanneer hij is uitgekeken gaat hij lopen. Lopen met grote passen. Misschien wel de grootste van heel de wereld. Eerst naar links. En vervolgens naar rechts.
Dan staat de man stil. Pakt uit zijn stofjas een boekje. Nadat hij even aan een potloodje heeft gelikt begint hij te schrijven. Kort en krachtig, waarna de man weer op zijn fiets stapt en de laan uitrijdt.
Een paar maanden later gaan ze op het landje een huis bouwen. En weg is het landje.

Editie 17 januari 2017

Column: Rob Bakker

Project 142

Soest telt 142 nationaliteiten dus met dialecten mee, waarvan drie in Soest zelf, heb je het al gauw over een toren van Babel. Zo is er een wijk in Soest waarvan wijkbeheerders, conciërges, politie, maatschappelijk werkers, boa’s, raadsleden en collegeleden zeggen dat er bijna honderd nationaliteiten wonen. Dan weet je het wel. Eén van de 142 nationaliteiten kwam dit jaar samen op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Soest. Slechts een paar gasten werden hevig gemist, maar dat was volgens Toon al jaren zo: mevrouw Loof-Hutjes, mevrouw Stip, mevrouw Schroot-Hamer… enzovoort. Spreekstalmeester was Rob Metz, de burgemeester. Hij draagt in zijn functie een zilveren ketting waarvan de achterkant tot halverwege de rug reikt en de voorkant tot harthoogte; ruim dus en daar is over nagedacht. Er waren twee soorten gasten: oudere grijze of kale mannen al dan niet met bril en met de lijmresten van hun verkiezingsposters nog op de schouder en vrouwen die in Soest nog dames heten. Ondanks de eenheid was de kleding zeer divers: we zagen een paar mannen met hoeden met veren, in zwarte glimpakken en met hun rechterhand aan het linkeroor, wat op zich moeilijk drinken was van de gratis prosecco, maar dat moest zo bij de carnavalsvereniging. Verder waren er een paar mannen in indrukwekkende uniformen, waaronder met twee sterren op hun epauletten. Ze vertegenwoordigden de drie kazernes die we nog in en rond Soest hebben waarvan een voor de voorziening Persoonlijke Uitrusting, zoals bijvoorbeeld pet, koord en epaulet. Ze stonden niet ver van het buffet, ze stonden bij wijze van spreken aan het buffet. Ze keken verlangend naar de hapjes, maar helaas geen gehaktballen.
Voor de burgermeester kon het jaar 2016 niet meer stuk: hij was dat jaar getrouwd. Nu gaat het huwelijksjaar zelf nooit stuk, dat is jaren later, maar niet bij Rob Metz. Die prachtig glimmende ketting, daar kunnen precies twee mensen in en die krijg je er dan ook niet meer uit, zeg maar ‘Project 2 Soest’. Ook een begin.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Stadhouderslaan

Volgende week mag ik uit eten. Uit eten met zo’n beetje alle BN’ers uit de media. Kan ik echt niets aan doen. Het komt door Rob Bakker van de interessante bijdragen in deze krant over zijn taallessen aan vluchtelingen. Mooi werk. En niet makkelijk. Maar Bakker – die nog een poosje bij mij op de laan woont – zit er niet mee. Ook niet met het organiseren van spraakmakende events en het schrijven van een groot aantal opmerkelijke boeken met voor mij als voorlopig hoogtepunt De boekhouders van de holocaust. In dit wetenschappelijke werk beschrijft Bakker pijnlijk nauwkeurig hoe Nederlandse ambtenaren joden aan de moffen verkopen voor een appel en ei. En over eten gesproken: zo’n zesentwintig jaar geleden vraagt mijn secretaresse of meneer Bakker, de hoofredacteur van Broadcast Magazine, boven mag komen. Natuurlijk. Wanneer mijn deur niet dicht is staat ’ie open (kantoorhumor gaat nooit verloren). Meneer Bakker zet zijn hoed af, vindt dat ik best Rob mag zeggen, gaat zitten en feliciteert me. Pardon? Jarig ben ik pas over een maand of negen. Toch gefeliciteerd, Bakker is een doorzettertje, want ik ben mediaman van het jaar geworden vindt zijn Broadcast Magazine redactie.
Weer wat nieuws? Inderdaad, ik ben de eerste mediaman van het land. En waarom? Ik leidde de campagne om de VPRO heel veel leden te bezorgen. Dat lukt nogal, vandaar. En nu? Moet ik nu als mediaman overal in het land brillenwinkels en bruggen openen? En de vereniging van Huisvrouwen, afd. Venlo, wegwijs maken in de nieuwe media? Geen sprake van, vindt Rob Bakker, eerst een exclusief interview voor Broadcast Magazine en dan de uitreiking. Eerlijk gezegd is het een uitreiking van niks. Naast een al half afgetuigde kerstboom krijg ik de prijs en de enige bekende Nederlander die in het restaurant zit is Jaap van Meekeren, ja, die van Opsporing Verzocht. Voordat ik naar huis mag bellen ze van de KRO radio nog op met de ‘wat er door mijn heen gaat’ vraag. En thuis geloven ze pas dat ik media-
man van het jaar ben geworden wanneer ik mijn prijs toon. Het is een schilderij dat alleen maar zichtbaar is wanneer er licht op staat. Nee, die Rob Bakker bakt ze lekker bruin, zou vader zeggen.

Editie 11 januari 2017

Column: Rob Bakker

Parkeerplaatsenonderzoek

Omdat de asielimmigrant inmiddels niet meer in alle staten verkeert, gaat deze column nu verder in alle talen, maar vreemd genoeg eindigt dit verhaal in alle staten. De gemeente
Soest wilde tweehonderdduizend euro uittrekken voor een parkeerplaatsenonderzoek in Soest en dat leek ons een mooi project om met een groep nieuwe Nederlanders uit te voeren. Zo leren ze de omgeving kennen, de straatnamen in het Nederlands opschrijven en tellen. We huurden een busje met een viertal asielimmigranten, waaronder Mohammed en Salmo. Een voor het tellen, een voor het schrijven van de straatnaam, een voor het noteren van het aantal plekken en een om te rijden. We meenden te weten dat Salmo zijn rijbewijs had.
Het was geen moeilijke klus, gewoon een paar dagen door Soest rijden en tellen. Parkeren bij de Albert Heijn, in de Van Weede-
straat, achter de ABN, bij het oude postkantoor. Dat ging lekker, en we hadden zo achthonderd plaatsen geteld. Maar onze doelstelling was precies duizend parkeerplekken, want de landelijke norm voor een parkeerplaatsenonderzoek is 200 euro per parkeerplek. Die 200 euro per plek maakte ons wat hebberig. We meenden een stukje weiland mee te kunnen pikken, nadat een van ons het daar huizende ijsvogeltje verjaagde om vereniging Vrij Polderland niet tegen te krijgen. De seniorenflats raakten plekken kwijt, want blijkens onderzoek zijn ouderen in auto’s een gevaar op de weg. Tenslotte was nog één plek te gaan. ‘Daar is nog een plek,’ riep Mo enthousiast en Salmo gaf vol gas. Het bord “niet inrijden” hadden we nog niet behandeld, maar toen schoten we al over een steil weggetje omhoog en stortten naar beneden op een monumentaal huisje, waar we over het dak roesden om te landen op een perkje bonenstruiken. ‘Dat is duizend,’ tekende Mo tevreden aan. ‘Onderzoek compleet! Wat zal dit nou helemaal kosten?’
‘Twee ton,’ taxeerde ik somber de puinhopen. ‘Gelukkig dat de gemeente lekker ruim heeft begroot.’

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Van Weedestraat

Kraal. Ik hoef maar aan de naam te denken en ik zie hem weer staan. Van top tot teen. Zelfs na vijfenzestig jaar blijft het beeld luid en duidelijk. Raar? Vast. En er zijn beslist pillen voor of tegen. Laat dat maar aan de wetenschap over. Maar ik slik ze niet.
De herinnering aan Kraal, de drogisterij schuin tegenover cafe-restaurant De Vergulde Pollepel, wil ik behouden. Waarom? God mag het weten en tien tegen een weet ’ie het ook niet.
En moet je horen, bij Kraal hebben ze niet eens bijvoorbeeld in december een knikkende Sinterklaaspop in de etalage staan. Nee, die pop staat in vol ornaat bij Immerzeel. Jaar in jaar uit.
Kraal houdt het bescheiden. Heel bescheiden in zijn bruine en donkere zaak, waar de stugge en stroeve jaren vijftig niet uit weg zijn te slaan.
Nou ja en mijn chronische herinnering kan ook niet aan meneer Kraals witte doktersjas liggen. Zo’n beetje heel de Soester middenstand gaat gekleed in een dergelijke outfit. Uiteraard onze huisarts en de apotheker naast garage Alblas. Maar ook onze kruidenier, meneer Van Haarlem, heeft een stijve jas in het wit aan, terwijl zijn zoon, Hans, het moet doen met een wit jasje dat amper tot aan zijn middel reikt. Zielig? Persoonlijk heb ik de jongen nog nooit over het te korte jasje horen klagen.
Uiteraard knippen alle kappers in het dorp keurig in het wit. Helaas halen ze het qua uitstraling niet bij meneer Kraal.
Plotseling weet ik de oorzaak van mijn Kraalherinnering. Het komt door die flacon. Die reuze flacon op Kraals toonbank. De dikke, veertig centimeter hoge flacon die met iets geels is gevuld.
Is het pies of eau de cologne? Ik kan het zo controleren. Naast de flacon ligt immers een rood rubberen balletje om die gele vloeistof op te pompen. Maar ik knijp er niet in. Mag niet van moeder. Jammer.

Editie 4 januari 2017

Column: Rob Bakker

Oliebol

December is inburgeren voor onze asielimmigranten (officieel woord), voorheen de asielzoekers als ze het hebben gevonden.
We leren ze de verhalen van de feestdagen: Sinterklaas, Zwarte Piet, kerstboom, kerstman, stalletje, baby, ezeltje…hohoho! Stop!
De verkeerde lessen gegeven, zo blijkt als we daarna de winkelfolders doornemen (altijd praktisch blijven).
Niks kerstmis, niks baby Jezus in de kribbe. Jezus wordt achter de boom gepropt en buiten het kaarslicht gehouden. De kerststol is een feeststol geworden en Kerstmis wordt opeens Lichtdagen, net als tweeduizend jaar geleden bij de Germanen en vierduizend jaar bij de Joden die Chanoeka vieren en nooit moeilijk deden over onze Kerstmis.
En nu wat commerciëler: wensdagen. Wat zijn wensdagen? Nu moeten wij als taalcoach ook even inburgeren.
‘Dan hebben we voor iedereen een goede wens, liefst duur gekocht.’ Verbazing alom. Alleen op die dagen goede wensen? Daar trappen de asielimmigranten niet in, daar moet wat achter zitten.
Tenslotte is het Mohammed, zo genoemd naar de profeet Mohammed, die tenslotte vraagt: ‘Waar is Isa gebleven?’ Isa is in de Koran de naam van Jezus, zoals Abraham Ibrahim heet, net als zoveel voetballers, en Isa is een van de profeten. Daar mag hij dat wel zijn. Dezelfde Jezus die door de folders achter de bomen wordt gepropt, in plaats van onder de kerstboom. Wie neemt nu wie in de maling? We leggen uit dat de folders de nieuwe Nederlanders niet willen kwetsen, al zijn het vaak de oude Nederlanders die denken dat we ze hiermee kwetsen. De term ‘politiek correct’ gaan we niet uitleggen, anders denkt Mohammed nog dat het allemaal zijn schuld is. Maar Jezus en Isa kunnen geen kwaad, daar zijn Oost en West het over eens.
Ten slotte komt er toch nog een gezamenlijk eind van het jaar, zowel in de folders als in het echt: de oliebollen. Niets mee aan de hand. En waarom ze oliebollen heten? Heel simpel: Allah gaf niet ons maar de Mohammedanen olie en die lenen wij van jullie, om bollen in te bakken. Lekker en verantwoord samen, zitten we te wensen met een oliebol in de hand.

Rob Bakker
robbakkerauthor@gmail.com

Vluchtelingen. We zien ze niet altijd, maar horen en praten over ze en hebben onze mening vaak al snel gevormd. Maar wie is nu eigenlijk die vluchteling? Rob Bakker helpt als vrijwillig taalcoach asielzoekers een eindje op weg, en neemt waar. Hij beschrijft de ontmoetingen tussen verschillende culturen.

Column: Soest in stukjes – Boudewijn Paans

Maatweg

Komt dat zien. Mijn jongste zoon eet garnalen. Niet te geloven, zo mooi. Zo elegant. Zoals hij garnalen eet, het kunnen ook mosselen zijn geweest, is het net of hij heel voorzichtig iets van Chopin of Field op een piano speelt.
Kan ‘ie niet van mij hebben. Ik zou het wel willen: een jongen met een aartje naar zijn vaartje, maar het kan niet. Mijn jongste komt uit Korea en ik ben daar nog nooit geweest. Hand op mijn hart.
Mijn jongste is geadopteerd. Nog een heel gedoe, maar wanneer hij eenmaal is geland is het gedoe verleden tijd. Af en toe gis ik naar zijn verleden en denk dan dat hij een visserij-achtergrond heeft.
Dus wat doe ik? Ik besluit om te gaan vissen met de jongste. Vindt hij vast leuk, zo niet enig met de door mij geveinsde achtergrond.
Thuis informeren ze voorzichtig of ik me wel goed voel. Wanneer ik dan beloof dat ik niet meteen een botter in Spakenburg huur, maar een visje ga verschalken in de sloot achter het huis krijg ik groen licht.
Zie ons nu eens zitten. Mijn jongste en ik aan de waterkant. Net een plaatje uit een of ander opvoedboek: vader leert zoon vissen. En alles hebben we bij ons alsof we drie weken op het stekje blijven zitten.
Met een groots gebaar werp ik uit. Althans ik probeer met een groots gebaar uit te werpen. Dat gaat mis. Het haakje van de vishengel blijft in mijn spiksplinternieuwe Middelman-hemd hangen.
Mijn jongste – die trouwens Dong heet – kijkt me aan met een blik van: zoiets heb ik nog nooit in Korea gezien. En ik? ik doe of het haakje uit mijn spiksplinternieuwe hemd halen een fluitje van een cent is. Niet dus.
De buurvrouw, mevrouw Van Dorp, die een ommetje door de polder maakt wil me nog een handje helpen met het haakje in mijn hemd. Nergens voor nodig, vind ik nog stoer.
Enfin, met een gat in mijn hemd zijn we toen maar naar huis gegaan. Vanuit de sloot hoor ik gelach. Gek, altijd gedacht dat vissen niet kunnen lachen.