Oranjelaan

Plotseling is die er. De kerkhofkuil. Open en bloot gaapt 'ie op het landje naast ons huis. Wat dat moet? Niemand heeft er weet van.

Zeker, op het landje naast ons huis gaat gebouwd worden. Drie huizen in één keer. Toe maar. En allemaal zonder dat stadse gehei. Nergens voor nodig. Het fundament kan koud op de grond.

Meneer Weinberg neemt trouwens al het metselwerk voor zijn rekening. Heeft hij verder niemand bij nodig. Ja, misschien een mannetje. Een oppermannetje, dat hem de stenen op de steiger aanreikt. Dat is makkelijk. Zo kan meneer Weinberg doorwerken tot het donker wordt.

Da's mooi werk, zegt de opzichter van de bouw nog tegen vader, zonder dat hij de sigaret uit zijn mond haalt. Vader is dat met hem eens en gaat dan door met het aanharken van het grind. Ik denk nog: later als ik groot ben wil ik ook praten met een sigaret in mijn mond, omdat het best wel stoer staat.

O ja, de opzichter heeft trouwens nog wat te vragen. Vader houdt opnieuw op met harken en luistert weer naar de opzichter. De vraag is of vader weet wie er op de bouw een mooi, vers gemetseld muurtje heeft vernield.

Eeuwig zonde van het werk, vindt de opzichter dat. Vader denkt na of doet alsof en zegt dan dat het vast kwajongenswerk is geweest. Kan niet anders. Dat vindt de opzichter bij nader inzien ook.

Over die kerkhofkuil op het bouwterrein reppen vader en de opzichter met geen woord. Terwijl de kuil bij mijn vriendjes van de laan die middag toch het gesprek van de dag is. En het blijft niet bij praten. Stel je voor. In de kuil moet ook gesprongen worden. Graag om het hardst. Ik durf het niet. Voor geen goud. Even grinniken de jongens. Dan begrijpen ze het. Wanneer ik in de kuil spring kom ik er nooit meer uit en dat is zielig.

Maar als de jongens naar huis zijn of zo ga ik stiekem toch terug naar de kuil om er als nog in te springen. Daarvoor heb ik wel eerst een kistje naar beneden gegooid. Een kistje om me in de kuil een kontje te geven.

En daarna? Spring ik zoveel totdat ik een ons weeg. En dan kom ik thuis met een stijve nek waardoor mijn hoofd zo scheef staat als die ene toren in Italië. Geen gezicht. En dan ben ik dom. En moet ik voor straf meteen naar bed. Zonder eten.

Boudewijn Paans