Oranjelaan

SOEST Nogal vaak heb ik de mouw van vaders uniform geaaid. Natuurlijk omdat hij lief is en lekker ruikt, vooral na het scheren. Moeder moet dan voelen hoe glad hij het wel heeft gedaan. Veelal vindt ze dat onzin, alleen doet ze het toch.

En ik aai dus die mouw en ik denk dat het de huid van een hond is. Ben ik gek of zo? Valt mee, maar van thuis mag ik geen hond dus fantaseer ik dat de groene, borstelige mouw van vaders uniform een stukje hond. Psychiaters kunnen vast voor veel geld uitleggen hoe een en ander in elkaar steekt.

STRENGE VROUW Aan het geaai komt een eind wanneer overbuurman Schilling dood gaat. In zijn mooie huis komt meneer Van Rijn te wonen. Hij reist in zalm in blik. Heeft best wel een strenge vrouw en een grote hond: Basje. Het is een Duits-Belgische herder en daar boft die Basje bij. Want Duitse herders an sich mag ik niet. Komt door hun rol in oorlogsfilms. Kunnen de honden daar zelf helemaal niets aan doen? Sterker, weten ze zelf weer nergens van? Smoesjes.

KUNSTJES Enfin, Basje en ik worden vrienden. Ik aai hem tot hij een ons weegt. Leer hem de moeilijkste kunstjes. Ik laat hem zo maar over ons tuinhek springen. Zo vaak dat ie kijkt van: Boebie, spring zelf ook eens. En ik laat hem uit, met de waarschuwing van mevrouw Van Rijn dat Basje zich beslist niet vuil mag maken.

KRINGLOOPWINKEL En over uitlaten gesproken: laatst word ikzelf nog in Delft uitgelaten door Maartje, mijn dochter. Onvergetelijk. Niets vermoedend 'lopen' we ook nog een kringloopwinkel in.

En wat hangt daar keurig gestoomd en geperst aan een knaapje? Inderdaad, vaders uniformjasje. Ik kijk nog in het rond waar vader zelf is. Geen spoor.

Jammer, dan koop ik het jasje maar voor mijn dochter. Het past haar precies. Meteen wil ik het aan het aaien slaan. Ik laat het. Je hebt zo een naam.

Boudewijn Paans