Korte Brinkweg

Moeder heeft zo haar adresjes. Ook voor mijn spastische benen en de rest. Het is in een klooster, over het spoor te Hilversum. Daar woont een man in een jurk met warme handen. Als straalkacheltjes houdt hij ze voor en achter mijn hoofd. Het is vast een gek gezicht en het helpt voor geen meter. O dat is geen punt, vindt de man in de jurk nog. We moeten ook moed houden, veel moed. Want moed verloren, is al verloren. De man in de jurk zucht diep en zegt dan dat moeder en ik moeten bidden, heel veel moeten bidden.

Het volgende adres is een winkel. Of veel beter, een zogenaamde winkel. In de voorkamer, waar in een normaal huis een paar planten op de vensterbank staan, staan daar schoenen. Heel eigenlijk is het geen winkel aan huis maar een winkel in huis.

Wat ik er moet? Ja, dat zou ik ook weleens willen weten. Maar ik moet met moeder mee. Haar tegenspreken doe ik nog niet zo erg. Nou, zegt moeder zo'n beetje tussen neus en lippen door - trouwens niets voor haar - dat het geld niet op haar rug groeit.

Oké, maar wat doen we dan in die gemankeerde schoenenzaak?

Meneer Van Dorresteyn moet nodig naar mijn schoenen kijken. Wat is er aan mijn schoenen te zien? Ja, ze moeten wat gepoetst worden, maar voor de rest? Ik zou het niet weten.

Moeder wel. Ze vindt dat meneer Van Dorresteyn maar eens mijn zolen moet zien. Nou hij ziet ook dat de teenstukken glad versleten zijn.

Het is toch wat, vindt moeder, weer nieuwe zolen. Opnieuw heeft moeder het over haar rug waar geen geld op groeit.

Geen paniek, doet meneer Van Dorresteyn. Voortaan krijg ik ijzeren teenstukjes onder mijn schoenen. Ik kan dan zoveel op mijn tenen lopen als ik wil. Meneer Van Dorresteyn wordt bedankt. Als ik loop klink ik als het paard van de schillenboer. Durf geen stap meer te doen.

Hoewel, zo'n vijfentwintig jaar later koop ik weer eens schoenen. Van Bommels. In de winkel kom ik ook de meneer Dorresteyn van vroeger tegen en die informeert of hij onder mijn nieuwe schoenen nog ijzertjes moet zetten.

Boudewijn Paans