Heuvelweg

Joost zeurt tegen moeder over mij. Of ik dat zelf niet kan? Hij kan het stukken beter.

Moet je Joost voor de aardigheid eens bij moeder in haar keuken zien staan. Een scene uit een wereldberoemde speelfilm is er niets bij. Overdreven? Probeer maar eens zelf zo losjes en ontspannen met je kont tegen het aanrecht aan te staan. Voor Joost is dat een koud kunstje.

Daarbij is het een wonder dat Joost zo lang in de keuken mag blijven. Moeder heeft immers het land aan pottenkijkers. Hulp bij de afwas hoeft ze ook niet. Alleen zij weet waar de spullen moeten staan.

De enige die in moeders keuken meer dan welkom is, is meneer Kaats van de Heuvellaan. Wanneer de straatlantaarns al een tijdje zijn aangefloept komt hij op zijn gemotoriseerde bakfiets de laan in. Niet te hard of te zacht. Meneer Kaats sluipt meer de straat in. Net als of hij dealt in verdovende middelen.

Ach goh, meneer Kaats dealen. Het idee. Hij heeft alleen maar olie, wasmiddelen en nog wat groene zeep in de aanbieding. En naar zijn olie stinkt meneer Kaats ook nog een uur in de wind. Daarom blijft meneer Kaats braaf bij moeder in de keuken.

Net als Joost. Hij is immers nog lang niet uit gezeurd.

Moeder wil alleen niets van het verhaal van Joost horen. Ze zegt dat niet met zoveel woorden. Hoeft ook niet. Haar gezicht spreekt boekdelen.

Joost is er blind voor. Hij zeurt vrolijk door en lardeert zijn pleidooi met fraaie vergezichten van een zinderend zeilkamp op een originele tjalk.

Ik zal je betjalken, zegt moeder en meldt uiteraard ook nog dat ik niet eens kan zwemmen. Einde verhaal? Mooi niet.

Joost werpt Theo, de sportleraar van zijn school, in de strijd. Wat of die er mee te maken heeft? Nou, de sportleraar gaat ook mee naar het zeilkamp.

Het is niet waar? Het is wel waar. Joost staat niet te jokken. Joost staat alleen maar te zeuren.

Maar dat hoeft hij niet meer. Met een echte sportleraar aan boord is de kans om op zeilkamp te verdrinken stukken kleiner geworden, vinden moeder en Joost plotseling. Ik mag mee naar het zeilkamp en ik denk dat ik misschien wel vriendje wil worden van Joost.

(Wordt vervolg)

Boudewijn Paans