Burgemeester Grotestraat

Op het zeilkamp in Loosdrecht gaat het eigenlijk best goed met mij, vind ik zelf. Jammer is alleen, dat ik op die originele tjalk heel dicht bij Theo, de sportleraar uit Bussum, moet blijven.

Te dicht naar mijn smaak, maar dat is onzin.Theo neemt maar wat graag het zekere voor het onzekere en daar moet ik begrip voor hebben. Nou, met best wat moeite heb ik daar begrip voor.

En daarbij moet ik rekenen dat veel IVO-ers thuis al een schip en een bootje hebben. Hier of aan de Côte. Die zijn als het ware met het water opgegroeid, weet Theo of hij er zelf is bij geweest.

Nautisch kan ik daar weinig tegenover stellen. Kan moeilijk weer met de gammele roeiboten van Zwarte Willem op de proppen komen. Maar wel met mijn grote broer. Natuurlijk. Theo uit Bussum kan met geen mogelijkheid om mijn grote broer heen. Theo zou eens moeten zien hoe goed en scherp mijn grote broer kan zeilen. Ik weet zeker dat hij ook paf zal staan.

Tjeetje, en soms mag ik weleens met mijn grote broer mee varen. Ook op Loosdrecht. Op de kleine plas in eerste instantie en tweede instantie ook, maar je moet ergens beginnen. Nou, en in de boot doe ik dan de fok. Hartstikke belangrijk is die fok, wanneer je echt vaart wil maken. En natuurlijk heb ik weleens aan het roer gezeten, maar dan moet ik wel weer op tijd duiken voor de giek. Maar ja om daarvan een sportleraar uit Bussum te overtuigen ben je wel even bezig en daarbij is het zeilkamp voorbij.

Maar Theo heeft een verrassing. Nee, daar heb ik helemaal niet op gerekend, maar toevallig moet Theo toch de kant van Soest op, dus zet hij me even thuis af en waarbij ook nog komt dat gemak de mens dient. Ik vraag nog waar Joost is. En Theo antwoordt dat Joost al is vertrokken en hij zegt ook dat Joost zich wel redt.

En gaan we dan? vraagt Theo op een manier zoals alleen een sportleraar kan vragen. Wanneer we vertrekken blijkt Eefje uit mijn groep ook mee te rijden. Zij woont toch ook in buurt van Soest. Ja hoor, ik woon net voorbij Nunspeet, antwoordt Eefje nog.

O ja, en voor de grap mag ik rijden. Theo meent het. Hij heeft zelf van Joost gehoord dat ik ooit die Renault op de Engh even heb geleend om voor de lol joy te rijden, dus... gedoe die avond.

Ik rij met het klamme zweet in mijn handen richting Soest. Ben er bijna. Da's helemaal fout, eerst richting Nunspeet, vindt Theo met een arm wat onbeholpen om Eefje. En ik moet heel goed voor me uit moet blijven kijken.

Boudewijn Paans