Amsterdamsestraatweg

Intussen werk ik nog steeds met de beroemde SEC keeper Piet Schrijvers bij het reclamebureau van Willem de Groot in Amersfoort. Tussen de middag spelen we weleens een potje schijn voetbal. Dat is voetballen zonder bal. Heel spannend.

Spannend is ook wanneer ik voor de vierde of vijfde keer mag afrijden bij de baas van alle rijbewijzen in het land. Willem de Groot heeft het zelf beloofd. Zeker belooft Willem de Groot wel meer wat. Salarisverhoging bijvoorbeeld. Maar dat is bij hem een heel rekbaar begrip. Hele boze tongen beweren dat dezelfde Willem de Groot nog eens ter dood is veroordeeld in België. Maar na de oorlog beweren boze tongen zoveel.

Alleen op een ochtend krijg ik een telefoontje van Willem de Groot. Hij zegt dat ik zijn vriend, de baas van alle rijbewijzen in het land, moet ophalen bij het station. 'Mijn' VW staat voor de deur. Ik geloof mijn ogen niet. Het is vast en zeker de eerste sjoemel VW waar vast Adolf Hitler nog ingezeten heeft. En het is een VW met een brilletje plus een platte knop om hem te starten. Daarmee ga ik in vliegende vaart naar mijn man bij het station.

Mijn man, of beter mannetje, staat er. Ik wil nog vragen of hij zelf geen rijbewijs heeft, maar zo brutaal ben ik nog niet. Daarbij zegt het mannetje kort en bondig 'rijden maar', net alsof hij nog veel meer heeft te doen.

Als een postduif zet ik koers richting Soest, want daar wil ik aan iedereen laten zien, zeker aan váder, dat ik ook in een VW kan rijden, ook al is 'ie misschien van Adolf zelf geweest. Maar zie, we rijden nog maar net en het begint te sneeuwen. Moeizaam duwen de ruitenwissers de witte vlokken weg. Het mannetje kijkt of hij heel nodig naar de wc moet. En dan wil hij meteen terug naar station. Onderweg murmelt hij nog dat ik dik geslaagd ben. En zijn vriend, meneer de Groot, regelt de rest wel.

(Wordt vervolgd)

Boudewijn Paans